Home » Nederlands » Mijn werken » Vrijdag de 13e- Alcohol » De zingende zaag

De zingende zaag

TRONDHEIM

Ik zit met een glas konjakk na het diner na te genieten. Deze drank is meer dan 40 jaar oud. In mijn glas zie ik een hele geschiedenis voorbij trekken. Konjakk wordt in dit restaurant niet aan de tafel geserveerd waar we zojuist gegeten hebben, maar bij de open haard. Daar kijk ik naar het gloeien en het stoeien van de kooltjes in het vuur. Het is warm en behaaglijk. Ik zit hier tussen vrienden en collega’s uit verschillende Europese landen.

 

Deze bewuste dag was al vroeg begonnen. Om zeven uur in de ochtend zat ik aan het ontbijt in het Britannia Hotel. Ik genoot van het uitgebreide Noorse ontbijtbuffet en had net mijn tweede bord vol geschept.

Hei Steven, good morning.

Good morning, Arvid.

Arvid Stein, mijn Noorse vriend, collega en inspirator is inmiddels overleden. Hij was brandweerman, vakbondsman, politiek adviseur bij de Anjerrevolutie in Portugal en een onverbeterlijke zuiplap.

Hva spiser du?”, vroeg hij verbaasd, “Wat eet jij? Haring in saus? Bruine kaas? Dat is voor Noren, niet voor buitenlanders.

Ik kan best tegen plagen, maar dit soort opmerkingen zo vroeg in de ochtend, is dat normaal hier? Al ontbijt ik met slijmerige stinkende visballen en gerookte kaviaar, so what? Ik moest even slikken, toen schoot mij iets te binnen. Met de vriendelijkste glimlach kreeg Arvid van mij terug: “Jij praat bij het ontbijt. Dat is iets voor buitenlanders, niet voor Noren.”

Ik voelde een enorme dreun op mijn schouders. Vriendschappelijk bedoeld, ongetwijfeld. Toch hoorde ik de houten stoelpoten onder mij vervaarlijk kraken. Met een brede grijns stelde hij voor om mij voor te dragen voor het Noorse ‘statsborgerskap’. Ik? Noors staatsburger? Mijn dag kon niet meer stuk.

 

De hele dag zat ik tijdens de saaie vergadering voor mij uit te staren en stelde ik mij voor hoe het werkelijk zou zijn om als Noor door het leven te gaan. Ik voelde mij meteen een stuk ruwer, ingetogener en melancholieker. Na de lunch kreeg ik steeds meer een hangerig gevoel. Ik wilde naar buiten. Ik zei dat ik mij niet lekker voelde en ik ging een luchtje scheppen. Het was midden in de winter. Tegen drie uur ‘s middags was de duisternis al ingevallen. Vooral in het donker bleek Trondheim een stad van verhalen. Iedereen heette hier Dahl. De bakker, een boekhandel, zelfs het populaire lokale bier, en zo deed alles mij denken aan mijn geliefde Britse schrijver van Noorse komaf ‘Roald Dahl’, tot en met zijn achterneef, die een lokale dichter bleek te zijn. Dit maakte mijn omgeving spannend en onwerkelijk, maar toch ook heel bekend.

 

‘s Avonds had ik afgesproken in een visrestaurant aan de haven. Na mijn wandeling in de omgeving kwam ik als laatste binnen. We vormden een bont Europees gezelschap. Voor de meesten onder ons was dat restaurant niet veel meer dan een eetgelegenheid plus een verandering van entourage. Alleen werd nu aan tafel niet over nieuwe technische standaarden gesproken maar over medische ethiek in het Franse universitaire onderwijs.

Ik ging aan de andere kant van de tafel zitten. Daar was het aanmerkelijk stiller. Ik zat tussen de Noren, de Zweden en de Denen, en liet in alle rust de sfeer op mij inwerken. Buiten was het ijskoud; binnen brandde een knappend haardvuur. Mijn Noorse collega en gastheer Arvid blies zich in de handen en wreef ze tegen elkaar om de koude te verdrijven.

 

WEGDROMEN

Hei, Steven, red je het nog?” was een vraag die mij meer verwelkomde dan de ongetwijfeld interessante stellingnames aan de andere kant van de tafel. Mijn Zweedse collega Krista had haar mantelpakje verwisseld voor een sportievere outfit met een dikke, vermoedelijk zelfgebreide trui boven een spijkerbroek. Ik had haar nog tijdens de lunch verteld hoe ik bij een eerdere gelegenheid in Noorwegen de trage besluitvorming had helpen bespoedigen door een fles whisky op tafel te zetten. Zo konden we eindelijk over een aantal lastige details heen stappen en besluiten nemen. Je had moeten zien hoe Krista worstelde om haar gezicht strak in de plooi te houden, toen ze mij zei dat zoiets in Zweden een ongelooflijk hoge boete zou opleveren. Haar ogen fonkelden; zij vond het wel een originele zet.

Onze belangstelling ging eerst uit naar de wijnkaart. Daarna zouden we eten bestellen. De warmte was behaaglijk. Ik begon steeds meer te begrijpen hoe de beroemde Noors-Engelse schrijver Roald Dahl op zijn verhalen gekomen was, door in de zee van vuur alles los te laten. Starend in de vlammen van de open haard, zag ik licht, schaduw, bewegingen, schimmen. Ik hoorde geknetter, gesis en getik, in allerlei toonaarden en steeds ritmischer. Terwijl ik staarde naar het gloeien en stoeien van de kooltjes in het vuur, zag ik beelden, eerst vaag, toen steeds duidelijker. Ook hoorde ik aanstormend hoefgetrappel. Ten slotte begon ik langzaam weg te dromen, onwillekeurig hardop. Het was net of mijn leven voorbijkwam, maar dan in een andere tijd.

 

OORLOG

Het is ruim 50 jaar geleden. Ik ben onderweg naar mijn grootmoeder in Levanger. Mijn paard en ik zijn allebei moe. Gelukkig ben ik op het idee gekomen om voor het laatste stuk de boot te nemen over de Trondheimfjord. Nog een paar uurtjes en ik zou daar aankomen, met een fles zelfgestookte ‘myltebaersprit’, een brandewijn gestookt van van moerbijen.

Terwijl ik op de kade sta te wachten op de boot, trekt een groepje rondtrekken­de muzikanten mijn aandacht.

“Wil jij ook eens hierop spelen?”, vraagt de zingende-zaagspeler en biedt mij het instrument aan. “Je staat zó te kijken”, lacht hij, “en ik hoor je zelfs zachtjes meezingen.”

Dat is waar. Ik heb zelf niet in de gaten dat ik sta te zingen, zo geboeid ben ik door wat ik hoor. De zingende zaag is altijd de trots van mijn vader geweest. In zijn geboortestreek Dalarna, in Zweden, wordt daar meer mee gedaan dan in de - in zijn ogen - ruwe Noorse cultuur. In mijn handen komen de tonen eerst aarzelend, maar de trilling van het instrument doet mij alle schroom vergeten.

“Ga jij niet mee naar Spanje?”, vraagt de slagwerkspeler even later. “We strijden voor wat we hebben. Vrijheid en welvaart, niet alleen voor de Spanjaarden, ook voor ons. Als wij niet eeuwig een boerenland willen blijven, moeten we mee met de vaart der volkeren. Maar dat moet wel menselijk zijn, en daar vechten wij voor. Als ik sterf, heb ik een doel in mijn leven gehad, en zonder het gevoel dat ik er toch niets aan had kunnen doen.”

Ik begrijp er eerst niet veel van, maar het maakt een diepe indruk. In luttele seconden gaat er heel wat door me heen. Mee gaan, er bij horen, verandering, avontuur, en vooral dat ik nu kan laten zien wat ik waard ben. Bovendien, in mijn geboorteplaats Kongsvinger is toch niet veel te beleven, vooral sinds Berit, mijn voormalige geliefde, zich met de zoon van de dominee heeft verloofd.

God zal mij wijzen wat ware liefde is en wie die kan geven, denk ik plechtig. Zijn er geen andere doelen dan het kneuterige leven dat mij steeds als vast gegeven voor ogen had gestaan? Wat heb ik eigenlijk te verliezen?

 

HERINNERINGEN

“Maar jij bent toch nog niet zo oud?”, riep Arvid verbaasd.

Ik schrok los uit mijn gevoel van trance. “Akkurat”, zei ik, “dat klopt”, en vervolgde mijn verhaal.

“Het was twee maanden later dat ik mij in Bergen inscheepte. Via Portsmouth naar Gijón, met mijn strijkstok en de zingende zaag van mijn vader. Daarmee had ik onderweg nog velen bewogen mee te gaan om te vechten voor de democratie en voor alles wat ons dierbaar was, onze waardigheid als mens. Zo vond ik mijn ware liefde, Rosita, in de estaminet die de manschappen ‘s avonds van wijn voorzag, waar we verhalen vertelden en liederen zongen.”

Deze herinneringen maakten meer in mij los dan ik wilde laten merken. Door mijn tranen zag ik het haardvuur als strepen voor mijn ogen. Na een korte stilte kon ik weer verder gaan.

“Ik kon goed organiseren en kreeg al gauw de leiding over een guerrillacel. Het duurde alleen niet lang of ik werd vanuit een hinderlaag in de rug geschoten, even buiten Valladolid. Mijn laatste seconden keek ik in de warme donkere ogen van Rosita. Dat gevoel van oneindigheid deed mij alle pijn vergeten. Langzaam zakte ik weg. Koudvuur werd mij fataal.”

 

WEER TERUG

Arvid is helemaal stil geworden van mijn relaas. Ook de andere Scandinaviërs, aan onze kant van de tafel, laten het op zich inwerken. De collega’s aan de andere kant van de tafel, die mijn Noors niet kunnen verstaan, discussiëren ondertussen luidkeels in een mix van Engels en Duits over de kwaliteit van het Noorse bier in vergelijking met Duitse bieren, gebrouwen volgens het Reinheitsgebot . Zij zien vooral het nut in van een technische standaard om bieren goed en vaak en veel te kunnen testen. Volgens anderen is eerder de sfeer van doorslaggevend belang, en moeten juist de kroegen getest worden op hun kwaliteit als testhuis voor bier. Dat komt al gauw neer op een kip-ei discussie. Voor bier heb je de kroeg nodig en voor de kroeg heb je bier nodig...

Nu zitten we bij de haard, na het eten. Ik geniet in alle stilte van mijn glas 40 jaar oude Noorse konjakk. Dromend staar ik naar het gloeien en het stoeien van de kooltjes in het haardvuur. Opnieuw zie ik licht, schaduw, bewegingen, schimmen. Ik hoor geknetter, gesis, getik, in allerlei toonaarden en steeds ritmischer. Opnieuw meen ik hoefgetrappel te horen. Bijna ben ik weer weg, vertrokken naar vervlogen tijden. Deze keer word ik ruw onderbroken.

“He, kijk daar eens!”, roept Arvid. De deur gaat open.

Nu komt er een muzikant binnen met …een zingende zaag. Voor het eerst sinds tijden denk ik met weemoed terug aan die huiselijke sfeer bij mijn vroegere familie in Kongsvinger. Ik kan mijn blik niet van het instrument afhouden. Met tranen in mijn ogen begin ik zachtjes mee te zingen met de melodie van weleer.

“Jeg er på et skip som seiler på sjøen, skipet mitt seiler på bølgene.”

Het vervolg was mij even ontschoten. Even later val ik weer in: “Nå er jeg bølgene så sola blir sjela, sola mi gulmaler verden…”

Ik ben op een schip dat vaart op de zee, mijn schip vaart op de golven… Nu ben ik de golven dus de zon wordt de ziel, mijn zon schildert de wereld goud…”

Mijn avond kan niet meer stuk.

 

THUIS

Nog steeds werp ik af en toe een blik naar de hemel. Met een beetje geluk zie ik dan… een knipoog van Arvid.